H. Over monitoring en vangstenregistratie

Om aangaande de snoekbaarsbestanden in onze viswateren cijfers op tafel te krijgen is er terugkerend sprake van monitoring, waarbij middels sleepnetten (kleine) gedeeltes van viswateren worden bevist en de vangsten worden geregistreerd. Daarnaast is er vanuit de hengelsport en de beroepsvisserij vaker sprake van het (verplicht) registreren van vangsten. Zelf registreer ik zo als sportvisser jaarlijks mijn gevangen snoekbaarzen in de Friese boezem. Het doel hiervan is om bij benadering te kunnen vaststellen hoe het er voor staat met de snoekbaarsbestanden, waarbij het gaat om aantallen en formaten. 

Steeds vaker begin ik me echter af te vragen hoe de cijfers, die voortkomen uit deze manieren van registreren, de werkelijkheid benaderen qua snoekbaarsbestanden. Als voorbeeld wil ik hierbij aanhalen de sterke achteruitgang van de palingstand. De constatering (cijfers) dat het slecht gaat met de paling en dat er dus steeds minder komen kon alleen tot stand komen doordat de paling in onze wateren volop bevist wordt met beroepsvistuigen door de beroepsvissers en daarbij wordt geoogst. Om goede en dus nauwkeurige cijfers te kunnen krijgen aangaande snoekbaarsbestanden zou het mijn inziens dan ook noodzakelijk zijn - net als bij de paling - dat er volop op gevist wordt (met beroepsvistuigen) en dat er daarnaast geoogst wordt. In de praktijk wordt de snoekbaars - tenminste in Friesland - door de beroepsvissers alleen nog als bijvangst (helaas deels gericht met aaldoggers) bevist, waarbij alleen als vistuigen de aaldogger en de aalfuik mogen worden gebruikt. De trend binnen de sportvisserij is steeds meer dat oogsten oftewel meenemen van vis niet meer van deze tijd is (een goede onderbouwing van dit standpunt is er overigens in het geheel niet). Mijn idee is dan ook dat de cijfers aangaande snoekbaarsbestanden die nu worden verzameld middels registratie door sport en beroep en door monitoring bij lange na niet in de buurt komen van de werkelijke aanwezige snoekbaarsbestanden in onze Friese viswateren. Een bijkomend probleem daarbij is dat in alle 3 gevallen er sprake kan zijn van manipulatie (eigen belang?). Registratie van aan de hengel gevangen (geoogst of niet) snoekbaars door sportvissers zorgt voor cijfers die niet overeenkomen met de werkelijkheid omdat het nu eenmaal zo is dat je een snoekbaars alleen dan kunt vangen als deze aast. In de praktijk heb ik al meermaals meegemaakt dat er met de hengel op een bepaald water vele weken geen teken van leven was te bekennen, terwijl op hetzelfde water en dezelfde plaatsen met staand wand volop werd gevangen. Ook de registratie van snoekbaars (uit bijvangst gevangen) door beroepsvissers in Friesland benaderen niet de werkelijkheid omdat deze vissers er niet volop op vissen met staand wand, sleepnetten e.d. Tot slot de monitoring, waarbij er middels sleepnetten en/of kuilen een klein stuk van een viswater wordt bevist 1 keer per jaar of zelfs maar één keer in de 2 of 3 jaar. Doordat deze visserij maar heel af en toe zal plaatsvinden en daarnaast ook nog op een klein gedeelte van een groot viswater, zullen ook deze cijfers nooit een goed een nauwkeurig beeld kunnen geven van aanwezige snoekbaarsbestanden. Kon je alle staand wand snoekbaarsstropers maar verplichten hun vangsten te registreren dan pas zou er sprake kunnen zijn van cijfers die de werkelijkheid  benaderen.

In ieder geval wordt er d.m.v. het registreren van snoekbaarsvangsten en monitoring getracht cijfer op tafel te krijgen betreffende snoekbaarsbestanden van waaruit eventueel beslissingen kunnen worden genomen. En al zullen deze cijfers mijn inziens in geen geval de werkelijkheid ook maar benaderen, toch is dit een kleine vooruitgang omdat beslissingen tot op heden veelal geheel zonder onderbouwing worden genomen.

 

Terug naar het hoofdstuk "Ontwikkelingen op het snoekbaarsfront"

Terug naar de inhoudspagina!