In dit archief kun je voorlopig 6 artikelen verwachten

F. Archief pilkers:

Smurfen en pilkeren door Kees van der Houwen

Pielen of pilkeren door René Flohil in 1993 

Pilkeren op zoet water door Arjan Willemsen

Huppelend op snoekbaars door Jens Ploug Hansen in 1996

Ver en diep door Rudy van Duijnhoven

Vallende bladeren door Bertus Rozemeijer in 1995

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Smurfen en pilkeren:

Inderdaad, een vreemde kop boven een vistechnisch artikel. Maar ofschoon ook smurfen best wel eens een hengeltje zullen uitgooien, zijn deze koddige figuurtjes zeker geen hoofdmoot, maar wel de aanleiding tot dit artikel. Enige tijd geleden kreeg ik namelijk van de bekende Haagse wrakvisser Ben Beckers een volgens hem uitstekend vangende loden gulpilker cadeau. Gezien de gemiddelde vangstresultaten van Ben nam ik dit onmiddellijk voor waarheid aan en zou ik niet eerder rusten voor ik van deze pilker een mal vervaardigd had. Een metalen mal maken leek me erg ingewikkeld en betekende in ieder geval veel vijlwerk. En daar ik net herstellende was van een tennisarm operatie zou dit vijlwerk mij beslist geen goed doen. Maar toen ik op een avond mijn kinderen bezig zag om van boetseerklei smurfen te vervaardigen ging bij mij het rode licht branden.

 

Basismateriaal

Het boetseermateriaal wat ik voor de mallen gebruik is het zogenaamde “Das-Pronto”. Dit materiaal wordt hard zonder dat men het in een oven hoeft te bakken, dus dit werkt vrij eenvoudig. Deze “Das” is in elke speelgoedzaak voor nog geen tientje te koop. Om van dit unieke materiaal gietmallen voor bijvoorbeeld pilkers te maken is het wel noodzakelijk om eerst het gewenste model te verkrijgen. Het eenvoudigste is natuurlijk om een goed vangende pilker cadeau te krijgen, of eventueel te lenen. Maar ook in een goed gesorteerde hengelsportzaak zijn prima pilkers te koop (zeker in plaatsen waar zeeboot-visclubs gevestigd zijn). Wilt u uw eigen fantasie gebruiken, dan kunt u ook eerst van boetseerklei alle gewenste modellen maken.

 

Verdere benodigdheden

Het volgende wat u nodig heeft zijn twee plastic borrelnootbakjes van ongeveer negen bij veertien centimeter en twee cm. Diep. Deze maten geven maar een bepaalde richtlijn aan, groter en dieper is ook uitstekend. Kleiner moet u voor pilkermallen beslist niet gaan. Dit omdat bij het gieten een grote hitte ontstaat, wat bij te weinig “vlees” rond de eigenlijke vorm barsten tengevolge kan hebben. Deze bakjes dienen dus als mal voor de mal, zal ik maar zeggen. Belangrijk is ook om, net als bij betonwerk, een wapening aan te brengen, om barsten te voorkomen. Een stukje fijnmazig gaas werkt uitstekend. Rest nog een paar druppels slaolie of een mespuntje boter en u heeft de ingrediënten voor alle soorten loodmallen. We beginnen om de bakjes met een vingertop licht in te vetten met olie en boter. Vervolgens kneden we twee ballen klei die zo groot zijn dat (platgedrukt) de bakjes voor drie kwart vullen. Stevig aandrukken om een zo homogeen mogelijke massa te krijgen. Nu drukken we het gaas in de klei, zodanig dat de klei tussen het gaas omhoog wordt geperst. Als dit gedaan is kneden we wederom een paar ballen klei en drukken het bakje vol. Doe dit gerust royaal; de klei mag na flink aangedrukt te zijn gerust boven het bakje uitsteken. Vervolgens pakken we een broodmes en snijden over de randen van het bakje de overtollige klei weg. De basis voor de mal is nu gelegd, en gaan we over tot het maken van de eigenlijke gietvorm.

 

Gietvorm en afwerking

De gietvorm krijgen we door simpelweg de reeds bestaande pilkers in het bakje te drukken. We draaien nu de pilker en drukken de contra-zijde in het andere bakje. Daar de klei bij droging iets krimpt is het belangrijk om de pilker met beide kanten iets door het midden van de pilker heen te drukken (dit om bij de afwerking toch de juiste dikte te behouden). Om de pilker soepel uit de klei te wippen moet u hem ook even licht invetten met olie. Na dit gedaan te hebben laat u het geheel een nacht drogen op een veilige plaats, buiten bereik van nieuwsgierige huisgenoten. Plaats de mal ook niet pal voor de kachel om een snelle droging te willen forceren; dit kan kleine scheurtjes tot gevolg hebben. De volgende dag wippen we de klei uit de bakjes. Het verdient aanbeveling de mallen een dag of drie te laten drogen alvorens tot afwerking over te gaan. Na de droogperiode zoeken we een vlak stuk cementvloer uit om de mallen vlak en glad te schuren (ook een stoeptegel gaat prima). Vlak maken doen we door de mallen met cirkelvormige bewegingen over de ondergrond te schuren, net zo lang tot ze volkomen vlak en glad zijn. Als de beide delen op elkaar liggen mag er nergens ruimte te zien zijn. Door nu de pilker in de mal te leggen is het mogelijk om beide gietvormen precies tegenover elkaar te krijgen, wat natuurlijk belangrijk is voor de juiste vorm. Om nu ook bij het gieten de beide delen juist op elkaar e houden, kunt u met een potloodschrap een merkteken op de mal geven. Gaan we iets professioneler te werk, dan boren we diagonaal tegenover elkaar twee gaten door beide delen van de mal, op ruime afstand van de gietvorm. Door in de ene zijde van de mal een paar stalen pennetjes te lijmen die precies in de gaten van de andere zijde passen, liggen de beide delen tijdens het gieten altijd goed op elkaar.

 

Gietgat

Het is raadzaam om het gietgat precies tussen de twee delen van de mal in te houden. Dit voorkomt klem zitten van de pilker na het gieten. Als de beide delen dus op de juiste manier tegen elkaar geklemd zitten zet u de mal voorzichtig vast in de bankschroef, met de gietvorm in verticale stand. De plaats van het gietgat dient pal naast het montageoogje (hierover straks meer) te liggen. Dit om tijdens het gieten de mal geheel voor te krijgen. U boort dus precies op de naad van de twee delen een gat van circa acht mm loodrecht de gietvorm in. Het beste is om een hand-boortolletje te gebruiken, of het boortje gewoon tussen de vingers te draaien. Een elektrische boortol draait voor dit materiaal te snel, en hij zou bij doorschieten uw gietvorm zwaar beschadigen.

 

Lood gieten

De meeste zeevissers zullen niet onbekend zijn met het zelf lood gieten. Voor de enkelen die het niet weten en voor de zoetwatervisser (arlesy bom of “wortelloodje”) even een korte toelichting. Een niet te hoog conservenblikje (zalm) kan uitstekend als smeltpannetje dienst doen. Met een nijptang knijpt u een schenktuitje in het blikje, en u gebruikt de tang ook als handvat; gebruik zo schoon mogelijk lood om te onaangename geurtjes te voorkomen. Nu even terug naar de pilker. Voor de montage van dreg en wartel is het noodzakelijk een paar oogjes mee te gieten. We maken deze oogjes simpel van een stukje ijzerdraad waarvan we één uiteinde haaks om zetten teneinde uittrekken te voorkomen (model paperclip). Indien de oogjes niet goed in de daarvoor gehouden uitsparingen blijven zitten lost u dit op door een stripje tape over de oogjes te plakken. Zet de mal nu in de bankschroef, en giet hem gelijkmatig vol. De gladste pilker giet u door het lood na het smelten zodanig te laten afkoelen dat de stollingsgraad nog net niet wordt bereikt. Giet u met lood dat te sterk verhit is, wat te zien is door een blauwe gloed op het lood, dan zal het gaan spetteren, met als gevolg: niet mooi volgelopen pilkers. Het onvermijdelijke gietspoor draait u er met een tang af, en een paar streken met een vijl maken de pilker ook op die plek glad. Giet nooit meer dan twee pilkers achter elkaar. De mal wordt dan te heet en scheuren is dan mogelijk. De waarheid biedt me overigens te vermelden dat een metalen mal duurzamer is dan een kleimal. Maar het maken van bijvoorbeeld ingewikkelde metalen pilker mallen is maar voor weinig mensen weggelegd.

 

Twister en sassy shad koppen

Een van de betere kunstaassoorten voor bijvoorbeeld zeebaars is een grote witte twister. Ook het zachte plastic visje van “Mister Twister” (de sassy shad) is een dodelijk kunstaas voor iedere zeebaars op elke stek. Daar we op jacht naar deze vissoort dikwijls in de nabijheid van steenmassa’s vissen, is verspelen van het kunstaas zeker geen zeldzaamheid, en vooral de sassy shads zijn behoorlijk prijzig. Een nadeel in dit verband is dat de bijgeleverde loodkoppen voorzien zijn van te sterke haken. Dit heeft tot gevolg dat zelfs bij dik nylon (45/00) de haak niet uitbuigt en u het kostbare plastic visje in de meeste gevallen verspeelt. De oplossing is dus om deze loodkoppen zelf te gieten met haken die bij maximale spanning op bijvoorbeeld 45/00 iets openbuigen, wat haast altijd losschieten tot gevolg heeft. De punt van de haak zal dan meestal wel wat te lijden hebben gehad, maar met een klein wetsteentje in uw zak is dit zo weer verholpen. (In ernstige gevallen monteren we een nieuwe loodkop). Uitstekende haken voor twisterkoppen zijn langstelige Round Bends in de maat 5/0 (Au Lion d’Or). Voor Sassy shad-koppen gebruik ik graag een zilverkleurige Aberdeen, die op de verpakking ook de maat 5/0 mee krijgt, maar belangrijk groter is.

 

De laatste centimeter van de haaksteel moet haaks omgezet worden. Dit lukt het best door dit gedeelte even te verhitten boven de gaspit. Het verschil tussen twister- en Sassy shad-koppen is alleen gelegen in de uitsteeksels op de haak van de Sassy shad-kop, die het visje op de juiste plaats houden. Als dit visje namelijk kan draaien gaat de sublieme actie totaal verloren! Afgezien van het verlangde gewicht hoeft dus maar een mal gemaakt worden. Wilt u ze als twisterkop gebruiken, dan draaien we de uitsteeksels er gewoon af. Om de haak tijdens het gieten op de juiste plaats te houden lijm ik aan de haakbochtzijde van de mal een blokje Tempex, waar ik de haakpunt inprik. Het is natuurlijk een logische gedachte dat van twisterkoppen ook jigs gemaakt kunnen worden.

 

Pilkers afwerken

Het leukste werk is de afwerking van de gegoten pilkers. We beginnen met de pilkers in een goede metaal grondlak te zetten. Daar ik graag met fluorescerende afdeklakken werk, gebruik ik witte grondverf. Als u van wat ijzerdraad haakjes buigt kunt u ze gemakkelijk te drogen hangen. De grondverf minstens een week uit laten harden voordat de fluorescerende verf wordt aangebracht. Deze verf is in verschillende kleuren in verf- of hengelsportzaken te verkrijgen. Als de verf goed droog is kunt u er de reflector-folie opplakken. Dit reflecterende materiaal kunt u in vellen van verschillende kleuren in een hengelsportzaak verkrijgen, of eventueel laten bestellen. Om de folie enigszins te beschermen ligt het gedeelte waar het op de pilker geplakt wordt aan beide zijden iets verzonken. Ik denk dat deze reflector het belangrijkste onderdeel op de pilker is. Dus: secuur aanbrengen, tussen de randjes van de uitsparing. Het werkt het prettigste om van een stukje karton een malletje te maken waarlangs u de folie kunt aftekenen, voor u hem uitknipt. De dreg komt in combinatie met een splitring aan het zwaarste gedeelte van de pilker te hangen. Hoe u pilkers opbergt kunt u op de foto zien. Ofschoon de twister of sassy shad meer aantrekkingskracht op de vis zullen hebben dan de loodkop, geef ik de loodkoppen toch ook een kleurtje. Ons oog wil tenslotte ook wat, nietwaar? Een goede kleur-combinatie voor de pilkers is groen met zilver. Ook een zilverkleurige pilker met groene folie levert soms uitstekende gulvangsten op. Maar met vissen weet je nooit wat zeker, dus: u laat de fantasie maar de vrije loop. (Vorig jaar ving ik bijvoorbeeld tegen de kop van de blokkendam in Hoek van Holland geregeld pollak en koolvis op een oranje pilker met rode reflector).

 

Maten en gewichten

Voor het geval u dezelfde pilkers wilt gieten die meerdere bootvissers en ikzelf met succes gebruiken, geef ik hier even de maten en gewichten. Tevens wil ik perse de schepper van deze goede pilkers niet vergeten te vermelden. Als ik goed ben ingelicht is dit de Haagse bootvisser Coen van der Berg. Hulde aan Coen dus! Het model met vinnetjes en staartje is de lichtste in de serie en weegt 110 gram. De lengte bedraagt 125 mm, de grootste breedte aan de kop 22 mm, aflopend naar 10 mm aan de staart; de dikte van 9 naar 5 mm. Het tussenmodel weegt 150 gram, de lengte- en breedtematen zijn evenredig aan de 110 grammer. Het verschil zit dus in de dikte, die loopt van kop naar staart van 12 naar 9 mm. De zwaarste in de serie weegt 250 gram, de lengte is 130 mm, de grootste breedte 26 mm. De dikte aan de kop 13 mm, aan de staart 11 mm. Met deze pilkers bent u dus tegen elke getijstroom-situatie opgewassen. (afgezien van soms voorkomende extreme situaties). De twister- en sassy shad koppen zijn in elke goede hengelsportzaak in verschillende gewichten te koop, dus dat kan geen probleem geven.

Door Kees van der Houwen

Terug naar het begin van de pagina "Archief pilkers"  

Pielen of pilkeren:

Een pilker is de meest onooglijke en slechtste imitatie van een aasvis die maar denkbaar is, en heeft een actie om te huilen. Toch heeft de pilker zich bij de visserij in bijvoorbeeld de Scandinavische en Britse wateren als een zeer productief kunstaas bewezen.

 

Er wordt in die landen wel succesvol met pilkers gevist. Door de aanwezigheid van rotsgronden en riffen vinden vissen daar makkelijk een schuilplaats. Ze jagen op zicht, wachtend in een stroomluwte op prooien die door de stroom worden langsgevoerd. Daar een concentratie vis veel voedselnijd met zich meebrengt wordt daardoor dan zelfs zoiets raars als een pilker gegrepen. Op onze Noordzee visten wij vroeger echter vrijwel uitsluitend op “het weid”. Op deze uitgestrekte vlakke zandbodem zoekt de kabeljauw alleen of in kleine groepjes, met de kop naar beneden gericht, de bodem af naar prooidieren zonder dat daarbij echt sprake is van voedselnijd. De kabeljauw jaagt hier op reuk en tast. De kans om hier met een pilker iets te vangen is dan ook zo ontzettend klein dat ieder weldenkend mens het niet eens probeert.

 

Wij nu ook

Nu sinds enkele jaren bij ons de wrakvisserij steeds grotere vormen aan gaat nemen, gaan steeds meer sportvissers de concentraties kabeljauw die deze wrakken bevolken vaak met pilkers te lijf. Op sommige dagen blijken pilkers zelfs het meest productieve aas te zijn. Een prettige bijkomstigheid van het vissen met pilkers is dat vaak de grotere kabeljauw aan pilkers gevangen wordt. Dit komt doordat het formaat van de pilker wordt bepaald door de stroom- en/of driftsnelheid waarbij gevist wordt. Door het hierdoor vaak grote formaat van de pilker wordt automatisch een selectie gemaakt in het formaat kabeljauw dat eraan gevangen worden.

 

Handlijnen

De eerste pilkers werden aan handlijnen gevist, wat trouwens in veel landen nog steeds gebeurt. Hierbij worden ze zo snel mogelijk naar de bodem gezonken. Bij de visserij op onze wrakken is het zinloos om de pilker tientallen meters op en neer te halen omdat de vis zich stijf tegen, of in het wrak ophoudt. Toch is het ook bij de visserij op onze wrakken belangrijk de verticale bewegingsuitslagen van de pilker, dicht bij het wrak, zo groot en zo snel mogelijk te maken. Ten eerste om zoveel mogelijk aandacht te trekken en agressie op te wekken. Ten tweede om te voorkomen dat de vis ziet wat een belachelijk kunstaas een pilker eigenlijk is.

 

Hogeschool-visserij

Pilkeren is echt geen hogeschool-visserij, sterker nog het is doodeenvoudig. Het is alleen hard werken en het zou leuk zijn als al deze zware arbeid vis op zou leveren. Hiervoor dient er wel op de juiste wijze gepilkerd te worden. Zoals gezegd is dit niet moeilijk maar wel een kwestie van “timing”. Allereerst moeten we ons realiseren dat, hoe hard we de hengel ook op en neer pompen, de pilker nooit dezelfde bewegingsuitslag krijgt als die er met de hengeltop wordt gemaakt. Dit komt doordat de bocht waarmee de hoofdlijn naar de bodem loopt en de rek die in de nylon zit. Om nu toch de grootst mogelijk beweging aan de pilker te geven moeten we gebruik maken van de golven en/of deining die vrijwel altijd op zee aanwezig is. Als de boot omhoog gaat halen we de hengel met een ruk omhoog en als de boot zakt doen we ook de hengel weer naar beneden. DAT IS ALLES. Ik heb echter veel vissers het bovenstaande net andersom zien doen, waarschijnlijk wordt dit vaak automatisch gedaan omdat pilkeren zo minder vermoeiend is. Door deze verkeerde “timing” wordt helaas wel het positieve effect van de boot op de bewegingsuitslag teniet gedaan. Deze vissers zouden, als ze helemaal niets zouden doen, door de hengel tegen de reling te zetten betere kansen hebben dan door wat ze nu doen. Doordat ze de hengel omhoog bewegen als de boot omlaag gaat en de hengel omlaag bij het omhoog gaan van de boot, blijft de pilker vrijwel stil hangen. De vis die een bewegingsloze pilker pakt moet echter nog geboren worden.

 

Pilkers

Er zijn vele soorten pilkers zoals o.a. loodpilkers, buispilkers en bladpilkers. Ze zijn allemaal goed zolang ze maar snelzinkend zijn en erg glimmen en/of opvallen. De meeste zijn voorzien van een dreg i.p.v. een enkele haak. Dit is echter alleen maar een voordeel als de vis er niet in slaagt om de pilker goed in zijn bek te krijgen en u geen bezwaar heeft tegen af en toe een foutief gehaakte vis. Of u uw pilker nu van een enkele haak of dreg voorziet, zorg ervoor dat dit middels een sterke splitring gebeurt. De op de markt zijnde ovale splitringen zijn  hiervoor uitermate geschikt omdat ze minder makkelijk openbuigen dan de ronde uitvoeringen. Het verdient aanbeveling om de pilker te verrijken met een kunststof inktvisje boven de haak. Zelf beaas ik de pilker altijd met pieren of een stripje vis (haring of makreel). Mijn vismaten beschuldigen mij hierom van gebrek aan vertrouwen in pilkers. Ik zie het zelf als een extra attractie die een vis kan bewegen tot een aanbeet. Ik vang nu eenmaal graag veel vis.

Door Rene Flohil in 1993

 

Terug naar het begin van de pagina "Archief pilkers"  

Pilkeren op zoet water:

Wie aan pilkers denkt, denkt onwillekeurig aan grote gullen, om niet te zeggen kabeljauwen, zeebaarzen en andere grote zeevissen. En de pilkers die men dan voor ogen heeft, hebben het formaat van een deurkruk en zijn voorzien van een of twee verzinkte dreggen van de allergrootste soort

 

Bij onze noorderburen in Denemarken en Noorwegen is pilkeren in elk geval de meest geëigende methode om grote kabeljauw aan de schubben te komen.

 

Pilkeren op zoet water is veel minder bekend. Het is een visserij die door onze oosterburen is geïntroduceerd en ik weet nog dat een jaar of 15 geleden door collega vissers nogal smalend over deze vismethode werd gesproken. Pilkeren werd vergeleken met stropen en de meeste vis werd getjoekeld (vals gehaakt). Vergelijkingen werden getrokken met het al bijna antieke tjoekvisje. Dit was een loden visje, voorzien van een ingegoten drietandige haak, dat inderdaad werd gebruikt om vis te tjoekelen. Wie weet was dit wel de voorloper van de zoetwaterpilker..

 

Tot voor kort was ik zelf ook deze mening toegedaan, tot ik van een aardige Duitser (die zijn er best ook…) een paar zelfgegoten pilkers kreeg om het eens mee te proberen. Dus samen met vismaat Rob van Dinther op “stropers” pad. Die avond op de Wijde blik bij Kortenhoef zal ik niet licht vergeten. Enige “hotspots” die wij al weken hadden bestookt met aasvisjes en kunstaas als jigs (twisters bestonden nog niet), met wisselend maar over het algemeen mager resultaat, bleken in één keer te wiebelen van de vis. De snoekbaarzen en baarzen knalden erop dat het een lust was en de twee pilkers die na een droge tik op de hengel plotseling voor zichzelf waren begonnen bewezen dat ook de snoek er niet vis van is. Het rafelige uiteinde van de vislijn dat overbleef was hier het beste bewijs van.

Spiering

De Wijde Blik heeft een natuurlijk bestand aan spiering en dit is een van de beste, zo niet de beste aasvis voor baars en snoekbaars. De slanke vorm van de pilkers doen het meest denken aan spiering. Reden waarom een verband kan worden gelegd tussen goed vangen met een pilkertje en water waarop veel spiering voorkomt. Onze volgende jachtgebieden waren om die reden het IJsselmeer en de randmeren. Wateren die zoveel spiering bevatten dat het er soms naar ruikt. Het gebeurt vaak dat bij het te water komen van het kunstaas de spieringen in alle richtingen wegspatten. Op plaatsen waar dit gebeurt zal resultaat niet lang op zich laten wachten, vooral in de zomermaanden. (Dan kunnen soms ongelooflijke vangsten worden gemaakt.) De vis ligt vaak zo “opgestapeld” rond de scholen prooivis dat er inderdaad nogal eens eentje vals wordt gehaakt. Pilkers moeten met felle tikken worden binnengevist; deze manier van vissen brengt dit – of we het nu willen of niet – met zich mee. Om deze reden wordt pilkeren door sommigen als onsportief beschouwd. Mijn mening is echter dat sportief vissen die manier is waarbij een vis na het terugzetten de grootste overlevingskans heeft. En met het vissen met levend aas, ook met enkele haak op snoekbaars, wordt meer baars over de kling gejaagd dan bij het pilkeren, waarbij er zo nu en dan een in de vinnen of staart wordt gehaakt. Wie dit helemaal wil uitsluiten kan beter gaan peuren! De vangsten die wij in de loop der jaren hebben meegemaakt, waar andere aassoorten veelal faalden, hebben er ondanks die enkele getjoekelde vis voor gezorgd dat pilkeren bij ons in elk geval niet meer stuk kan. En beslist niet alleen op water waar spiering voorkomt.

Vanuit een boot

Pilkeren doe je vanuit een boot en bij voorkeur op water van enige meters diep. Zou je dit vanaf de oever doen, dan moet de worp vaak veel te lang zijn en kan de pilker nooit op de goede manier – d.w.z. huppelend over de bodem – worden binnengevist. Een uitzondering moet ik misschien maken voor het vissen vanaf kademuren en damwanden, waar meteen al een aantal meters water staat. De praktijk is echter dat vanaf de kant vissend doorgaans een behoorlijk aantal pilkers worden verspeeld. Dit doet pijn in de portemonnee en bovendien zijn onze oppervlaktewateren al genoeg verontreinigd met zware metalen.

 

Een ander vereiste om goed te kunnen pilkeren is een harde schone zandbodem. De zandwinplassen en de randmeren waar zandwinning heeft plaatsgevonden, om het even of dit nu om het zand was of om een vaargeul te maken, zijn bij uitstek geschikt. Wie met een visvinder vist zal altijd in het voordeel zijn. Is de vis eenmaal gevonden, dan is het zaak om met korte worpjes rond de boot te vissen. Lange worpen hebben geen zin, hoewel een pilker door zijn gewicht en compacte bouw hiertoe uitnodigt. De pilker wordt pas effectief zodra hij bij het met korte rukken binnenvissen van de bodem loskomt. Dus waarom ver werpen? Worpjes van een meter of tien zijn doorgaans voldoende. Een favoriete tactiek is om, wanneer de vis op een glooiing wordt aangetroffen, de boot te ankeren aan de diepe kant van de glooiing en de pilker naar het ondiepe – dus tegen de glooiing op – te werpen. Bij het binnenvissen zal de pilker van de glooiing afhuppelen en zo als het ware door de vis worden opgevangen. Zouden we dit andersom doen dan wordt de pilker min of meer tegen de glooiing opgesleept, waardoor hij vaak vastraakt en niet of nauwelijks van de bodem loskomt. Over dit binnenvissen nog dit: probeer zo langzaam mogelijk binnen te vissen, waarbij zoveel mogelijk rukken worden gegeven waarbij de pilker van de bodem loskomt.

Slap

Geef de pilker ook goed de gelegenheid weer op de bodem terug te ploffen. Dit kun je controleren doordat de vislijn dan slap valt. Op deze manier ben je er zeker van dat de pilker goed over de bodem wordt gevist. Een goed gemiddelde is om per slag van de molenslinger twee tot drie tikken te geven, zodat de pilker sprongetjes van ca. 30 cm maakt. Vis de pilker zover binnen totdat deze zich bijna rechtstandig onder de hengeltop bevindt. Heel veel aanbeten krijg je vaak door met de binnengeviste pilker onder de top nog een beetje rond de boot te pielen.

Markeren

Pilkeren is vaak werk op enkele vierkante meters. Een goed hulpmiddel om de plek waarop de vis gevonden is te lokaliseren, is een boei overboord te zetten. Hiervoor zijn speciale boeien in de handel bestaande uit een plastic drijflichaam ter grootte van een mannenhand waarop een aantal meters nylonkoord is gewikkeld, dat aan het uiteinde is voorzien van een klont lood. Op de plek waarop de visvinder vis aangeeft zetten we dit handeltje overboord, waarop de loodprop het koord van de boei aftrekt totdat de bodem is bereikt. Hierna kan de boot op enige meters – en zeker niet te ver van de boei – worden geankerd, waarna de plek eromheen kan worden uitgevist. Beschikken we niet over een dergelijk hulpmiddel, dan is het zaak om de boot zeer precies op de plek te ankeren en dan liefst met twee ankers zodat hij zo min mogelijk verhaald. Een tactiek die ons al onnoemelijk veel vis (en dan vooral baars) heeft opgeleverd, is door bij het slepend vissen met levend of dood aas op snoek de vismaat die achter in de boot zit met een pilker te laten vissen. De pilker moet dan wel zijn aangepast aan de sleepsnelheid van de boot d.w.z. aan de zware kant. Wij stonden er tenminste versteld van hoeveel baars je op deze manier zelfs tot diep in de winter kunt vangen.

Materialen

De uitrusting die we verder voor het pilkeren nodig hebben kan supereenvoudig zijn. Een spinhengel aangepast aan het gewicht van de pilker met bijpassende spinmolen zijn behalve een handjevol pilkers eigenlijk al genoeg. Mijn voorkeur gaat uit naar een wat langere hengel dan de gebruikelijke 7 voet, omdat vaak nogal kort rond de boot wordt gevist. Een lengte van ca. 240 cm staat mij meer aan, maar absoluut noodzakelijk is dit niet. Een aardige richtlijn is om voor een 20 grams pilker een 10 grams spinhengel te gebruiken. Pilkers geven bij het binnenvissen niet al te veel weerstand. De lijndikte moeten we niet al te krap nemen: 24 tot 28/00 is een aardig gemiddelde. Dunnere lijnen bezitten veel rek en mijn indruk is dat, evenals wanneer we een te slappe hengel gebruiken, de pilker dan niet zo mooi huppelt. Het belangrijkste zijn uiteraard de pilkers. Hiervan zijn er niet zo gek veel te koop. Gangbare pilkers voor zoet water werden geleverd door ABU en Jensen, in de gewichtsklasse 7,12, 20 gram en zwaarder, waarbij vooral de 12- en 20 grammers goed bruikbaar waren. Maar het schijnt dat goede zaken niet altijd goed verkopen. Bij mijn weten zijn buiten de exemplaren die je zo nu en dan nog in een stoffig hoekje van een hengelsportzaak aantreft deze pilkers niet meer te krijgen. Sinds enige tijd beschikken Peeters Hengelsport in Mokum en Siep Tensen Hengelsport in Naarden over een assortiment pilkers met een gewicht van ca. 22 gram, speciaal gemaakt en geknipt voor onze zoetwatervisserij. Deze pilkers zijn verkrijgbaar in verschillende kleuren, maar favoriet zijn de oranje-geelgespoten fluorescerende en de blauw- en groen zilveren exemplaren. De pilkers kunnen naar keuze met een of twee dreggen worden uitgerust. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat een dreg en dan bevestigd aan de kop, oftewel de dikke kant van de pilker, met uiteraard de vislijn aan de andere kant, mij het beste bevalt. Pilkers met dreggen gooi je nogal eens in de war. Bovendien staat het nogal hebberig en een veel voorkomend euvel is dat buiten de dreg die in de bek wordt gehaakt de andere dreg zich vaak elders in het vissenlichaam of erger in het vissenoog nestelt. En dit kan echt niet de bedoeling zijn.

 

Arjan Willemsen

 

Terug naar het begin van de pagina "Archief pilkers"  

Huppelend op snoekbaars:

Op een goede dag word ik door een groepje snoekbaarsspecialisten benaderd. Of ik zin heb in een dagje pilkeren op snoekbaars op het Haringvliet? Met de pilker wordt daar groots gevangen. Of ik dat eens van dichtbij mee wil maken? Ik moet me eens even achter de oren krabben. Met het zware pilkerlood op snoekbaars? Van huis uit heb ik geleerd de snoekbaars te belagen met een aasvisje of slepend met de pluggen in alle soorten en maten. De laatste tijd ben ik in de ban van de twister, het magische plastic. Maar pilkeren? Is dat geen vistechniek uit het Stenen Tijdperk? Mijn nieuwsgierigheid is echter gewekt en de dag na het telefoontje ontmoet ik de roofvissers aan de oever van het grote water. Een mooie, nevelige ochtend en in de verte tekent zich de vuurtoren van Hellevoetsluis af. Het is windstil. De uitrusting van mijn vrienden maakt me meteen duidelijk dat hier geen vergeten techniek uit het stof wordt gehaald. Deze jongens weten wat ze doen. In de visboot, die van alle technische snufjes is voorzien, rusten korte, handzame spinhengels van de stugge soort, aangekleed met kleine werpmolens van het type Ambassadeur of Symetre. De werpmolens staan bol van de laatste mode op het gebied van vislijnen: arm aan rek, fluorescerend nylon in groen en geel kleurt me tegemoet. Ook het kunstaas is van deze tijd. ABU Lurettes van 12 gram en Deense Bergman-pilkers van 10 gram, bladpilkers van Albatros en irriterend getinte Cykades van Dam. De dreggen aan dit kunstaas zijn zonder uitzondering groot, maar slank en bovendien opgehangen aan twee splitringen.

Eenmaal van wal gestoken wordt de boot voor anker gelegd boven een veelbelovend talud met een verval van vier naar negen meter diepte. Onder ons scharrelt de glasoog in scholen met een gemiddelde omvang tot zeven pond. Als gast aan boord houd ik me vooral bezig met koffiedrinken en het observeren van de techniek van mijn visbroeders. Al gauw wordt me duidelijk dat hier met overleg een dodelijke vistechniek wordt gedemonstreerd. Heel bedaard worden de pilkers in het vlakke water op diepte gebracht en dan begint de huppeldans: met korte, sierlijke rukjes aan de hengel brengen de roofvissers hun pilkers in actie. Op hooguit twintig tot dertig centimeter boven de bodem dwarrelt het kunstaas tussen de snoekbaarzen. Soms bonst er een bladpilker tegen de zanderige bodem en dwarrelt een aantrekkelijk stofwolkje op: de gealarmeerde snoekbaars is direct ter plaatse. Zo'n visser met twee korte, dansende spinhengels, waarmee recht onder de top wordt gevist, oogt heel apart. Deze techniek heeft finesse en stijl. En succes blijft niet lang uit. Al bij de derde worp heeft Erik zijn eerste snoekbaars. Met genoegen aanschouw ik de dril op diepte en even later wordt een drieponder geland. Geen kanjer, maar het begin is er. Neemt de snoekbaars het kunstaas tijdens de afdaling, dan is dat al aan de vislijn te zien nog voor de aanbeet via de hengeltop voelbaar is. De haak wordt snel en trefzeker gezet en missers komen met deze voortijdige beetverklikker weinig voor.

Alleen voordelen

Ik moet toegeven, over deze methode is goed nagedacht. Het pilkeren op snoekbaars, een scholenvis met een uitgesproken voorkeur voor vaste stekken op grote diepte, heeft alleen maar voordelen. Ook verzwaarde Toby-lepels, blinkers voor de forel, zelfs de mormyschka's en andere blinkende mini-pilkertjes uit de Balkan doen het met deze techniek goed op grote diepte. Snoekbaars is verzot op de zilveren schittering van het naar beneden dwarrelend metaal. De cardanische ophanging van de dreg, waarbij de kenner zijn kunstaas voorziet van een extra splitring, bespeelt tijdens de huppeldans het gehoor van de snoekbaars. De rammelende splitringen blijken in de praktijk net die decibellen te produceren waarvan de snoekbaars horendol wordt. Ook de van kogeltjes voorziene pilkerpluggen, zoals de Rattlin Rapala tokkelen irritant op het trommelvlies van vadertje glasoog. De slanke dreggen in maatje 4 tot en met 6 haken uitstekend en bij de grotere maten blijven missers veelal uit. De snoekbaars wordt tijdens het pilkeren ook wel eens in de staartvin gehaakt. Mijn vismaten is dat meerdere keren overkomen. Volgens hen verdringt zich de rover nieuwsgierig om het dansende kunstaas en slaat zo nu en dan met de staart naar de vreemde indringer.

Bewolkte, windstille dagen zijn voor deze visserij bij uitstek geschikt. Doen golven het wateroppervlak rimpelen, dan wordt er van de pilkerende snoekbaarsvisser meer ervaring en doorzettingsvermogen gevraagd. De aanbeet komt moeilijk door en de omstandigheden op het grote water zijn gewoon minder aangenaam. Tegenwoordig is er een hele nieuwe generatie hengels voor deze snoekbaars- en baarsvisserij op de markt, korte, lichte hengels die voor het verticaal vissen heel geschikt zijn en die toch voldoende stug aan de top zijn om de dansende actie van de bladpilker op grote diepte te kunnen volgen. De korte hengel geeft ook een voorsprong bij het zetten van de haak, een beweging die nu eenvoudig vanuit de elleboog kan worden ingezet. Werpmolens voor deze visserij zijn er te kust en te keur. Lichte molentjes met een prima lijnafwikkeling en een goede slip, meer is er niet nodig. Het directe contact met het kunstaas wordt door de lichte uitrusting bevorderd, aanbeten komen nauwkeuriger door en wat meer is, de sport wordt er veel aardiger van.

Precies vissen

Vooral Mister Twister heeft zich een plaatsje in de kunstaaskoffer van de snoekbaarsspecialist veroverd. Maar de dansende pilker wint snel terrein. Wie vanuit de boot of langs steile kademuren en oevers gericht op de snoekbaars wil vissen of baars, moet het eens met deze glinsterende jojo-techniek proberen. Ook vanuit de belly-boat kun je deze visserij prima beoefenen. Er zijn dagen waarop de snoekbaarsstekken van het Haringvliet dicht bezaaid zijn met dobberende kikvorsmannen die al pilkerend in hun gerieflijke rubberstoel de beste stekken afvissen. Het directe gevoel met de bodem van het viswater en alles dat zich vlak boven die bodem een bestaan verschaft, is onnavolgbaar. Met veel tact en precisie dirigeren mijn visbroeders hun stokjes. Ze slaan boven water de maat van hun musicerende bladpilkers; een symfonie op grote diepte die gegarandeerd snoekbaars in de boot brengt. Een oude en vertrouwde techniek is van alle moderne gemakken voorzien. De Deense schriftgeleerden Svendsen en Wellendorf vermeldden al in de jaren 40 het ijspilkeren op snoekbaars. In de Scandinavische landen is het een ware rage wanneer een dikke ijskorst het water bedekt. Zo zie je maar weer, wie vergeten technieken weet aan te passen aan de moderne sportvisserij, doet fantastische ontdekkingen en vangt meer vis.

Door Jens Ploug Hansen in 1996

Terug naar het begin van de pagina "Archief pilkers"  

Terug naar het hoofdstuk archief!

Terug naar de inhoudspagina!