Bij dit archief onderwerp kun je (voorlopig) 3 artikelen verwachten.
C. Archief grote snoekbaars
Vizier gericht op grote snoekbaars door Gerard Schaaf Zwemmende kastelen door Gerard SchaafGrootvader glasoog door Gerard Schaaf
Vizier gericht op grote snoekbaars
Het was April dat Chris en ik iets uitprobeerden op karper op de plas bij K. We visten op een ondiepte aan lager wal vanuit een boot. Na een poosje vissen attendeerde Chris mij op een grote dode snoek die vanaf het "wijd" onze richting opdreef. Ik zag het kadaver liggen met zijn dikke witte buik omhoog, en mompelde iets van "eeuwig zonde van zo'n vis". Na enige tijd "passeerde" het dier onze boot. Toen pas constateerden we dat het niet om een snoek ging maar om een onwaarachtig grote snoekbaars..... Hier wilde ik meer van weten. Met de steel van het schepnet manoeuvreerde ik het enorme kadaver tegen de boot. Het lijk stonk niet en was nog niet echt stijf. De kieuwbogen waren nog diep rood van kleur. We namen aan dat de vis nog niet lang geleden was gestorven. In de bek troffen we geen haak of lijn aan. Misschien dat de doodsoorzaak van deze hoogbejaarde snoekbaars met de paaitijd te maken had? Wellicht bevreemdt het u wat dat wij zo geïnteresseerd bleken in een dode snoekbaars? Maar als ik u vertel dat het meetlint 107 cm. aanwees, begrijpt u wel dat het hier bepaald niet om een alledaagse snoekbaars ging!
Reuzen
Deze indrukwekkende vis betekende voor mij wel het sein de snoekbaarsstokken uit het foudraal te halen. Nooit eerder had ik de plas op snoekbaars beproefd. Wie weet hoeveel reuzen hier rondzwommen? En zeg nou eens eerlijk, heren snoekbaarsvissers: het gebeurt immers maar bij hoge uitzondering dat er een glasoog wordt gevangen die boven de metergrens uitklimt? Ik heb veel snoekbaars gevist op de plassen rond Amsterdam, alwaar ik topdagen heb beleefd van meer dan 20 stuks de man. Snoekbaarshappenings noemden we dat toen. Bij een aantal gelegenheden ben ik wel in de buurt van die meter geweest, maar geëvenaard had ik die magische grens nog nooit. Het gros wat je ving lag tussen de twee en acht pond, met uitschieters die dubbele cijfers op de weegschaal brachten. Snoekbaarzen groter dan 80 cm. bleven uitzondering op de regel - althans voor de viswijze die ik toepast, want echt gericht werd niet op die grote jongens gevist...
Standaard
Tijdens het karpervissen op de plassen bij K. had ik me reeds een redelijk beeld verschaft over de dieptes en de bodemstructuur. Een aantal potentiële trekpleisters voor snoekbaars had ik al in gedachten. Het duurde dan ook niet lang voordat ik met een hevig verende hengel in mijn handen stond. Het was volop genieten. Boven me de blauwe lucht, om me heen alleen maar water en nog eens water. Het weldadige gevoel dat je krijgt als je ver weg van de bewoonde wereld vanuit een bootje op een groot meer prachtige vissen staat te drillen. Het gevoel dat niets belangrijker is dan dit. De snoekbaars bleek in ruime mate te vangen. Slepend op gevoel met een schuifloodje en kleine aasvisjes of met de schuifpen en dan telkens een metertje optrekken. De "hotspots" lagen her en der langs de glooiing, de kuilen en mosselbanken. De meeste exemplaren ving ik op zo'n zes meter water. Mijn ranke snoekbaarsstokjes dreigden zwaar overwerkt te worden van al dat gestamp in de diepte! Na een dagje snoekbaarzen kon de eerste zes meter nylon - 16/00 - de prullenbak in, volledig uitgerekt en uitgewerkt als het was... Na vier keer vissen, waarbij meer dan 30 glasogen waren gevangen (en teruggezet), bleek het formaat echter gemiddeld. De grootste bleef ergens bij de 70 cm. steken en telkens moest ik weer terugdenken aan die dag in april toen die ter ziele gegane reuzensnoekbaars langs m'n bootje dreef.
Verandering van techniek
Het is verrekte eenzaam aan de top - zo wordt wel eens door de groten der aarde geschreven. Ook metersnoekbaarzen zijn dun gezaaid. De snoekbaarsstand in deze voormalige zandwinningsplas heeft het geluk nog niet te lijden onder een zware hengelaars (-meeneem-)druk. Volgens mijn filosofie moesten de tachtigers en negentigers onder de snoekbaars in niet al te geringe mate aanwezig zijn. Als ik maar lang genoeg bleef doorvissen dan zou er op de lange duur wel een kanjer in mijn net belanden. Maar voor een gelegenheidssnoekbaarsvisser zou dat teveel tijd kosten. Vandaar dat ik een manier moest vinden waardoor er meer gericht op grote snoekbaars werd gevist. Een vorm van specimen-hunting.
De winter van 1986 lag nog vers in gedachten toen ik slepend met grote getakelde aasvissen (30 cm.) op zoek ging naar grote snoek. Die winter "vergiste" zich herhaaldelijk grote snoekbaars in de voor snoek bestemde aasvissen. Mijn gedachten gingen nu uit om ook grote aasvissen voor de glasogen te gaan gebruiken (formaat 15 - 20 cm). Met aasvissen van dergelijke afmetingen schakelde ik een hoop snoekbaars van doorsnee afmeting uit. De aasvis wilde ik dood en enigszins bewerkt aanbieden. Dit vanwege mijn overtuiging dat grote snoekbaars eerder een azer is dan een jager. De grote "bakken" zijn meer geneigd de bodem af te zoeken naar voedsel dan gretig jacht te maken op prooi. Mijn met een mesje bewerkte aasvis zou een geurspoor verspreiden, dat naar ik hoopte, grote snoekbaars tot aanbijten zou gaan verleiden.
Materiaal
Snoekbaarsvisserij vraagt veelal om het gebruik van dunnen lijnen en zachte hengels. Maar voor de grote jongens waarop ik me richtte, hield ik mijn hart vast als dit aan het lichte materiaal zou moeten. Buitensporig lange driltijden met kans op losschieten en lijnbreuk lagen dan zeker in de verwachting. Bovendien kun je met zo'n standaard snoekbaarshengel geen grote aasvis wegzetten. Daarom koos ik voor een zachte, parabolisch buigende karperhengel met een testcurve van 1 pond waarop 20/00 mm nylon gevist ging worden. Zwaarder wilde ik niet gaan, want grote snoekbaars is en blijft een bijzonder achterdochtige vis als het om aanbijten gaat.
Met de pen
In het najaar moest het gaan gebeuren. Immers, in de herfst zou er alweer een hoop prooivis zijn opgeruimd en was de kans des te groter dat mijn aasvis zou worden gepakt. De eerste stek die ik aandeed was er één waar twee glooiingen elkaar kruisten De diepte verliep van twee tot ruim tien meter onder aan het trapsgewijze aflopende talud. Mijn boot lag verankerd even voor het inzetten van de glooiing naar dieper water. Het stuitje voor de schuifpen had ik op ongeveer 8 meter gezet. Uiteraard kon het ook zonder schuifpen en dan puur op gevoel (met een schuiflood), maar ik vind het nu eenmaal leuk om naar de verrichtingen van een dobber te kijken. De pen speelt hier meer een psychische rol dan een vistechnische. Door naar een pen te kijken blijf ik bovendien langer geconcentreerd vissen.
Ram
Langzaam versleepte ik de pen een half metertje. Vervolgens liet ik hem weer een paar minuten met rust. Zolang ik de lijn strak hield bleef de pen staan, ook als was het op het talud inmiddels als een stuk ondieper geworden. Op deze wijze viste ik de stek nauwkeurig af. De eerste wegtrekker kwam na de, naar ik meen, vijfde inworp. De beet kwam niet geheel onverwacht, maar toch schoot er een elektrische schok door me heen toen ik de robuuste "ram" op de lijn voelde. De pen verdween ogenblikkelijk. De beugel werd geopend en met een sneltreinvaart vloog het nylon van de spoel. Gezien het tempo van de wegloper verwachtte ik beslist geen kleintje. Ik nam het zekere voor het onzekere met deze eerste aanbeet. Pas toen de vis stopte en het nylon stil hing sloot ik de beugel en wachtte tot de lijn strak liep. Dit geschiedde spoedig. Ik nam de lijn tussen duim en wijsvinger om te voelen waar de vis uithing. De lijn liep naar links. Ik wachtte tot ik het contact met de vis via m'n lijn voelde. Toen dat plaats vond stak ik de hengel naar voren, draaide strak en gaf een ferme haal naar achteren. Hangen...! De hengel stond als een hoepel. Er was vast geslagen op een zware vis. In de beginfase van de dril gebeurde eigenlijk weinig sensationeels. Het leek alsof ik een zware zak over de bodem naar me toe trok. Slechts af en toe was er een waarschuwende schok voelbaar aan de hengel. Een typerende vechtstijl voor een snoekbaars. Opeens leek de boel vastgelopen, alsof de vis zich had schrap gezet tegen het talud. Lang duurde het onheilspellende gevoel niet. Ineens kreeg de hengel een dreun te verwerken gevolgd door nog één. De slip begon zijn taak te vervullen. Het was een spel van geven en nemen. Dan gaf de snoekbaars weer even mee waarop hij andermaal de hengel omlaag sleurde en de slip liet krijsen. Er werd flink gebeukt daar beneden! Minutenlang vocht de snoekbaars voor wat hij waard was. Ik prees de hemel dat ik voor een pittige stok had gekozen, want daarmee kon ik het beest van de ankertouwen houden. Door de niet aflatende druk die op de vis werd uitgeoefend kwam hij, zij het langzaam, in hogere waterlagen terecht. Uiteindelijk zag ik zijn gele flanken in het heldere water opdoemen. Het duurde niet lang meer voor ik de bijna 90 cm lange snoekbaars in het net had... (Ik beloof u binnenkort meer over mijn snoekbaarsescapades met grote aasvissen te berichten. Maar nu al kan ik u melden dat het zeer aanbevelenswaardig is).
Gerard Schaaf
Terug naar het begin van de pagina "archief grote snoekbaars"Zwemmende Kastelen
De hengel wordt in afschuwelijke bochten gedwongen. Het kurk van de greep voel ik in mijn vingers wringen. De top wordt een stuk mee onder water gesleurd. De slip ratelt; het zware trekken van een grote snoekbaars in de diepte.
"Hij is vlak bij de boot! Elke keer weer ben ik als de dood dat de vis in de ankertouwen duikt. Ik probeer hem uit alle macht omhoog te krijgen. Het lukt heel langzaam. Telkens onderneemt de vis evenwel weer een vluchtpoging. Af en toe voel ik het onheilspellende kopschudden, de manier om zich van de haak te ontdoen. Nu zit hij echter goed vast. De vis ligt hoer in het water, het stuitje voor de schuifpen heb ik bijna terug op de molen. Prrriiiééé.. weer wordt de hengel omlaag geranseld, opnieuw giert de slip. Maar deze uithaal was beduidend korter. Ik win lijn. Dan ineens ligt hij daar voor de boot in de golven, zo'n 15 pond snoekbaars, uitgeteld. Een kasteel van een vis. Zijn machtige stekelkam staat wijd uit en met een glazig oog staart hij me aan. Wat een beauty.."
Monsters
In een eerder artikel schreef ik waarom ik zelf grote, dode aasvissen (15 - 20 cm) prefereer om grote snoekbaars te verleiden. Toen ik dat artikel maakte, viste ik met een dode aasvis aan een grote enkele haak, de zogenaamde "blauwe forellenhaak" van Mustad, een dundradige doch bijzondere sterke haak, een type dat het normaal uitstekend zou doen, ware het niet dat snoekbaars zo'n vreemde snaak is als het om aanbijten gaat. In vergelijking tot snoek en baars die als ze toegrijpen een hele ceremonie kennen (pakken, keren en slikken), liggen deze zaken in de koudere maanden bij snoekbaars iets anders. Deze roofvis houdt er kennelijk een uitgebreide variatie op na als het om aanbijten gaat.
"De snoekbaars is de ware killer van ons binnenwater. Een roofzuchtig beest dat slechts de wil heeft om te moorden. Het monster zwemt tijdenlang met zijn slachtoffer tussen de kaken rond om angst en paniek te zaaien bij de arme donders onder water. Even later laat hij zijn verscheurde prooi achteloos achter om andermaal op zoek te gaan naar een levende prooi."
Frustraties
Nu zie ik u dit blad al dichtslaan en denken: gaan we soms weer terug naar de vooroorlogse theorieën? Zou die Schaaf nu werkelijk denken... Nee, beste lezer, maakt u zich geen zorgen. Ik zal u mijn gedachtenkronkel uit de doeken doen. Vooral in de wintermaanden kan snoekbaars een bijzonder moeilijke vis zijn om te haken, ook al geeft je hem alle ruimte om de aasvis te verorberen. Je ziet je pen wegzeilen en met een bonkend hart zit je in je bootje, hopend dat je vis is gepakt door een zwemmend kasteel. Op het moment dat je denkt dat de vis lang genoeg gelopen heeft, sluit je de beugel en zoekt voorzichtig contact. De lijn staat strak, je voelt 'm op de top. Je spuwt in de handen, gooit de borst vooruit en slaat aan. Raak! De hengel vliegt krom. Je lijkt te hebben vast geslagen op een gezonken boot. Dan krijg je de vis in beweging. Je voelt dat het een hele goeie is. Hij geeft een paar stevige bonken terug. Je staat te knikken op je knieën en verliest terrein. En dan ineens ...paf! De spanning schiet weg. De vis is los. Sjit. Met een paar verwensingen en een leeg gevoel draai je de bullen terug... Als zoiets je af en toe eens overkomt, is er geen man overboord. Het hoort erbij. Bovendien gebeur het wel vaker dat je grote aasvis wordt gepakt door een gretig snoekbaarsje met ogen die groter waren dan zijn maag. Die vissen van doorsnee formaat schieten wel vaker los. Dit mag geen ramp heten, want je hebt het immers op groter wild voorzien? Maar als juist de grote jongens geregeld losschieten is er iets mis met de techniek. (We nemen hierbij uiteraard aan dat de vis geen weerstand heeft gevoeld, dat de haak in orde is en dat de snoekbaars voldoende tijd toegemeten kreeg om de aasvis goed in de bek te nemen). Wat zou dan de reden kunnen zijn dat de grote, vlijmscherpe haak zich niet goed vastzet in de snoekbaarsbek? Het antwoord zit in de van de snoekbaars teruggekregen aasvis. De punt van de haak -en om die punt gaat het- bleek bij de meeste losschieters in het visje te zijn geslagen! Dus: er was niets waaraan de snoekbaars zich kon haken. De snoekbaars hoefde slechts de aasvis uit te spuwen en hij was los! Bij een klein aasvisje gaat dit niet op, want door de kracht van het aanslaan slaat de haak tevens door het aasvisje heen in de bek van de snoekbaars. Aangezien ik met grote aasvissen of en fors stuk vis viste, moest ik naar een andere oplossing zoeken. Gewoonlijk sloeg ik de aasvis door de beide lippen aan. Verandering, door de haak tussen de rugvin en staart te plaatsen, bracht evenwel geen soelaas.
Het takeltje
De oplossing lag eigenlijk voor de hand. Twee dregjes (no.6) werden aan de lijn geknoopt. De aasvis kreeg één dregpootje in de bek en het tweede dregje werd ter hoogte van de rugvin geplaatst. Zo werd het snoekbaarstakeltje geboren. Het bleek het ei van Columbus te zijn. Het systeem werkte voortreffelijk want ik kon nu tevens kort na het inzetten van de beet de haak (sorry, haken) zetten. Tijdens het vissen met een takeltje ben ik er een voorstander van om vroeg te slaan en wel zodra de lijn gaat "lopen" (de beugel dicht, de lijn zich laten strekken en dan wammes!) Dan kunnen de dregjes ook niet te diep in de bek terecht komen. Aangezien ik een snoekbaars terugzetter ben, wil ik zo veel mogelijk vermijden om snoekbaars met een dreg in zijn strot te retourneren. Het is nergens voor nodig om lang te laten slikken. Nogmaals: meestal is het strak laten lopen van de lijn al voldoende om de vis te laten hangen. Zorg wel dat de haakpunten vlijmscherp zijn! Kijk overigens voor u inderdaad dregjes aan uw takel monteert altijd eerst in uw vergunning van de rechthebbende (meestal een hengelsportvereniging). Het vissen met drietandige haken is nl. niet overal toegestaan...!
Soepele hengels gevraagd
Ondanks het grote inhakingsvermogen van het takeltje, bleven er toch nog snoekbaarzen voortijdig van de haken te ontsnappen (al waren dat er veel minder dan tijdens het vissen met de enkele haak). En dat losschieten gebeurde dan in de laatste fase van de dril, vlak voor de boot. Het viel me op dat bij het onthaken van gevangen snoekbaarzen veel vissen slechts aan een vezeltje gehaakt zaten. Sommige zaten buiten de bek gehaakt, aan de onder- of zijkant, één ervan zelfs op de kop! Gezien de vechtstijl van grote snoekbaars -zwaar stampen in de diepte- bleek mijn 1-ponds karperhengel achteraf toch te stuk. Vandaar dat ik op zoek ben gegaan naar een paar specifieke snoekbaarsstokken. Hengels die aan de volgende op d eisen voldeden: voldoende body om een flike aasvis weg te zetten en de haken goed vast te krijgen en geen figuur te slaan als er een stevig robbertje moet worden gedrild. De hengel moest bovendien over voldoende souplesse beschikken om de hardnekkige beuken van zware snoekbaars op te vangen, zonder dat hierbij de haken zouden losscheuren. De hengels vond ik, het aantal losschieters nam drastisch af en dat was voor een belangrijk deel te wijten aan de soepele hengels.
Snoekbaarsvissen is aanpassen
Velen zweren bij kleine aasvisjes (5-10 cm.). Klopt als het puur gaat om aantallen. Natuurlijk sneuvelt er ook wel eens een grote jongen aan een klein aasvisje, maar dat is uitzondering. Sinds ik met grote, dode aasvissen vis, vang ik verhoudingsgewijs veel meer grote snoekbaars dan voorheen. "Groot" vind ik snoekbaars vanaf zo'n pond of 10 (de zwaarste tot nu toe was 18,5 pond bij 97,5 cm.). Als je consequent met groot aas vist en je zit op goed water, vang je al gauw één op de drie boven de tien pond. Geloof me, een vis van acht pond heeft al geen greintje moeite meer met een maatvoorn! Toegegeven: wat aantallen betreft vang ik minder. Topdagen van 15 stuks zijn verwisseld voor toppers van vijf snoekbaarzen. Het is een keuze die je maakt: "veel" betekent klein en "groot" betekent weinig.
Het liefst vis ik op wateren waar weinig of geen snoekbaars wordt meegenomen. De snoekbaars heeft hier de tijd om te groeien, want zo'n kasteel van "in de negentig" heeft minimaal 12 jaar nodig om zo groot te worden. Wie zijn snoekbaars terugzet, bewaart zijn sport voor later.
Snoekbaars ou geen snoekbaars zijn als hij zijn wispelturige karakter niet behield. Er zijn dagen dat alle weglopers probleemloos hangen en binnenkomen. Talrijk zijn evenwel ook de dagen van pakken-en-loslaten. het takeltje verandert hier niets aan. De missers zijn soms niet van de lucht. Het lijkt alsof op zulke dagen de snoekbaars het aas slechts tussen de voorste grijptandjes neemt, ermee wegzwem, maar niet de intentie heeft er iets anders mee te doen. Wij kunnen agressie bij roofvis uitlokken door via allerlei manieren aas aan te bieden. Wanneer een snoekbaars diaar:entengevolge toegrijpt is punt één gewonnen. Het daadwerkelijk verorberen van de aasvis is twee. Tijdens het vissen met kunstaas doet men niets anders dan agressie opwekken bij roofvis. Bij fase één, het toegrijpen, wordt gereageerd door te slaan, hoewel roofvissoorten als snoek, baars, zalm en forel ook tijdenlang de spinner, lepel of plug kunnen achtervolgen zonder het te pakken. Van zalm is bekend dat ze dikwijls tijdens het nazwemmen van bijvoorbeeld een lepel, kopstoten uitdelen tegen het kunstaas. Je voelt die stoten op de hengel, maar slaat meestal mis...
Eten
Goed, terug naar onze snoekbaars waar we zijn blijven steken bij fase twee: het opeten van de aasvis of het stuk vis. Als snoekbaars weer eens fratsen vertoont door regelmatig los te laten (ook grote snoekbaars doet dat), helpt het soms om alle weerstand te vermijden. Pen en lood verdwijnen dus. Nu wordt puur op de lijn en het gevoel gevist. Bij veel wind of onderstroom plaats ik een rolletje zilverpapier op de lijn tussen molen en startoog of ik klem de lijn lichtjes vast onder een elastiekje dat op de greep voor de molen is geplaatst. Soms geeft dit het gewenst succes, soms ook niet. Een levende aasvis kan ook wel eens de oplossing zijn. Juist in de winter blijkt maar al te vaak dat een stuk vis veel beter vangt dan een hele vis. Ik snij hiervoor een dode maatvoorn doormidden en zet het kop- of het staartgedeelte op de dregjes. Vangstverschillen tussen kop- en staartstuk heb ik niet kunnen constateren. (Het kopstuk werpt verder omdat het iets zwaarder is en minder wind vangt). Voor een stuk vis geldt hetzelfde als bij het vissen met een gehele aasvis: het aas geregeld verplaatsen. Het op-en-neer-dwarrel-effect heeft een dodelijke werking op snoekbaars!
Snoekbaarzen is experimenteren
Weersomstandigheden kunnen een grote invloed op de bijtlust van de vis uitoefenen. Naar mijn idee gelden die weersinvloeden 's winters dubbel zo sterk als in de overige jaargetijden. Ik kan mijn klok erop gelijk zetten: zodra de beten wegvallen gaat de luchtdruk stijgen. Bij hoge luchtdruk, bijvoorbeeld tot 1030 millibaar: slechte vangsten en halfslachtige aanbeten. Bij lage luchtdruk, tot beneden 1000 millibaar: vaak goede vangsten en gretige aanbeten. Dit schrijf ik dan met vele slagen om de arm, maar deze lijn in de luchtdruk is in de winter vaak te trekken.
Ik trap waarschijnlijk een open deur in als ik zeg dat snoekbaars een grote hekel heeft aan weerstand. Zodra de watertemperatuur beneden de 10 graden Celsius is gezakt, vallen de stugheid van nylon en het drijfvermogen van de pen de snoekbaars des te meer op. Helaas zijn de meeste "exrastrong" lijnen vrij hard, stug en kinken als de pest. Het merk Tectan vormt hier een uitzondering op. Zelfs de opgegeven diameter klopt. Ze hebben ook aan Kees Ketting's wens voldaan om een verloopdatum op de verpakking te vermelden, maar dat mag ook wel voor de prijs. Persoonlijk geloof ik nog steeds in de voorkeur voor dood aas van grote snoekbaars. Op de wateren die ik bevis scoort dood aas hoger dan levend. Waarom grote snoekbaars die voorkeur heeft is me niet duidelijk. Misschien is het gemakzucht of misschien gaan ze eerder af op de geur van een "bewerkte" aasvis of stuk vis? Als u het weet mag u het zeggen.
Afgelopen winter ben ik aan het experimenteren geslagen met toegevoegde geurstoffen. Zo is er de al oude Pilchardolie. Inmiddels is uit het assortiment flavours, ontwikkeld voor de karpervisserij, ruim te kiezen. Wat te denken van "zalm", "haring", "tonijn", "sardien", etc.? Let er wel op minuscule hoeveelheden te gebruiken, want de genoemde flavours zijn zwaar geconcentreerd. En wat te denken van het vissen met verse sardien of een stuk makeel of haring? Maar daarover een volgende keer.
Gerard Schaaf
Terug naar het begin van de pagina "archief grote snoekbaars"A. Voldoende kracht om groot aas ver weg te kunnen zetten.
B. Kracht om de haken van de takel op afstand, stevig te kunnen zetten.
Terug naar het begin van de pagina "archief grote snoekbaars"
Terug naar het hoofdstuk archief!